De te toetsen therapie in het NECKproject.nl
Manuele Therapie volgens de Utrechtse SchoolIn Nederland bestaan meerdere vormen van manuele therapie die wat betreft diagnostiek en behandeling duidelijk verschillen. De manuele therapie volgens de Utrechtse School (ook ‘methode Van der Bijl’ genoemd - naar de grondlegger) verschilt wezenlijk in diagnosestelling en behandeling vergeleken met de andere methodieken. De normale asymmetrie en variabiliteit van menselijke vorm en bewegingsfunctie is bij wetenschappelijk onderzoek vastgesteld. Hieruit blijkt onder andere dat veel bewegingen normaliter asymmetrisch verlopen en dat de aanwezige asymmetrische vorm gerelateerd kan worden aan de asymmetrische bewegingsfunctie. In het onderzoeken van de patiënt bij de manuele therapie volgens de Utrechtse School, wordt beoogd het individuele functioneren van de patiënt te achterhalen door registratie en interpretatie van de natuurlijke asymmetrie in vorm, houding en beweging van de patiënt. Bij deze specifieke diagnostiek (de manueeltherapeutische analyse) wordt via registratie en interpretatie van de individuele asymmetrie van vorm, houding en beweging van de patiënt het zogenaamde individuele functiemodel opgesteld (van der Bijl). Doel hiervan is om voor alle gewrichten modelmatig de optimale ligging van bewegingsassen te beschrijven. |
en interpretatie van deze kenmerken zijn geprotocolleerd. De specifieke manueeltherapeutische technieken hebben als doel om de positionering van bewegingsassen in gewrichten te optimaliseren. Om dit doel te bereiken worden in de gewrichten driedimensionale bewegingen rond de beoogde bewegingsassen herhaald uitgevoerd. Voor het doelgericht positioneren van bewegingsassen voert de behandelaar passieve gewrichtsbewegingen (herhaald) uit met een lage intensiteit en een hoge nauwkeurigheid. De behandeling is gebaseerd op de bij de patiënt geregistreerde voorkeursbewegingen en op de geprotocolleerde interpretatie daarvan. Zij wordt in de vorm van passieve gewrichtsbewegingen uitgevoerd in de gewrichten van wervelkolom en extremiteiten. Bij de uitvoering daarvan worden fysiologische bewegingsgrenzen niet overschreden en worden geen tractie of bewegingen met een hoge snelheid toegepast, zoals bij sommige andere vormen van manuele therapie. Naast het onderzoek naar het individuele bewegingspatroon wordt oriënterend onderzoek gedaan om rode vlaggen bij de patiënt te herkennen en om de behandelindicatie te bepalen. (Rode vlaggen zijn symptomen die kunnen duiden op specifieke pathologie waarvoor de behandeling gecontra-indiceerd kan zijn.) Het klachtenpatroon moet verklaarbaar zijn op basis van mechanische (onderliggende) problematiek. |